Tien bouwstenen voor een toekomstbestendig beroepsonderwijs

MBO Raad, Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO) en Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) hebben met de Tien bouwstenen hun visie gegeven over de ontwikkeling van het beroepsonderwijs. Het is een interessante bijdrage aan de discussie over de toekomst van het beroepsonderwijs. Er zitten ook een aantal opvallende zaken in.

Opvallend is dat de verklaring niet mee is ondertekend door vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, terwijl in de verklaring stelt dat scholen en bedrijven het fundament gezamenlijk het fundament vormen van het beroepsonderwijs. Hier speelt de problematiek van de drievoudige kwalificering: persoonlijke ontwikkeling, doorstroom naar vervolgonderwijs en voorbereiding op de arbeidsmarkt. Zou het zo kunnen zijn dat nu SBB ‘geregeld’ is en daarmee de samenwerking met het georganiseerde bedrijfsleven duidelijk is ingekaderd dat er weer aandacht kan komen voor andere zaken?
Aan de andere kant wordt gepleit voor meer regionale afstemming tussen scholen en bedrijven. De landelijke kaders moeten minder strikt worden geformuleerd, zodat er ruimte ontstaat voor regionaal maatwerk. Dat houdt voor de herkenbaarheid van het beroepsonderwijs een risico is. Enerzijds kan er een bonte lappendeken ontstaan van verschillend ingevulde opleidingen, anderzijds is het de vraag of het bedrijfsleven deze regionale rol van mede bepaler van het beroepsonderwijs in een gelijkwaardige positie ten opzichte van de school kan waarmaken.

Een tweede punt is dat de verklaring een wijziging van de structuur voorstelt en stelwijzigingen zijn altijd heikele punten in het onderwijsdebat. In concrete gaat het om het opknippen van het mbo en vmbo en de onderdelen of op zichzelf laten bestaan of verbinden met havo. De kern van het beroepsonderwijs verschuift naar wat nu niveau 3 en 4 is van het mbo. De facto zou je kunnen zeggen dat hiermee de scheidslijn niet meer komt te liggen tussen vmbo en mbo, maar tussen wat nu niveau 1 en 2 aan de ene kant en niveau 3 en 4 aan de andere kant.
Een ander gevolg van de voorgestelde structuur wijziging is de gewijzigde positie van het hbo-bachelor. Deels wordt het hbo de laatste stap in de beroepskolom en deels komt het in de algemeen vormende route naar het hoger onderwijs. Deze positionering zou over enige tijd zomaar kunnen leiden tot een discussie over plaats van (delen van het hbo) in het hoger onderwijs. Anders gezegd: het profiel wordt onduidelijker.

Een derde punt is de rol van het beroepsonderwijs bij het LLL. Het wordt genoemd:  De student bouwt een portfolio op, ook na diplomering. (…) Het beroepsonderwijs is toegankelijk voor iedereen als voorziening voor het onderhouden van employability, ondernemerschap en doorgroeikansen. Het benoemen dat elke school voor beroepsonderwijs toegankelijk is, wil nog niet zeggen dat het ook zo is. De wens lijkt de vader van de gedachte. Verder krijgt het onderwerp niet veel aandacht. Het tekent de worsteling in het mbo of ze er wel echt werk van willen maken. Scholing van werkenden is toch echt wel iets anders dan onderwijs aan toetreders op de arbeidsmarkt. En dat weten ze bij de NTRO als organisatie van private opleiders als geen ander. De private opleiders hebben in 2014 volgens onderzoek van SEO een omzet behaald van € 3,4 mld, ongeveer net zo veel als de overheidsfinanciering van het bekostigd mbo.

Er is een bouwsteen gewijd aan de kwaliteit en de rol van de onderwijsinspectie. Er wordt gepleit voor een meer zelfstandig kwaliteitszorgsysteem voor het beroepsonderwijs, waarin het beste van het mbo (kwalificatiesysteem) en het hbo (accreditatiestelsel) verenigd worden. De kwaliteit wordt beoordeeld via intercollegiale audits of visitaties, waarmee de onderwijsinspectie meer op afstand kan komen te staan. Deze zou alleen een oordeel moeten geven over de resultaten van de scholen en het gehanteerde kwaliteitszorgsysteem en niet naar de leer- en bedrijfsvoeringprocessen binnen de scholen. Dat lijkt een goede gedachte. Het is natuurlijk wel zaak dat de checks & balances op orde moeten zijn. Scholen voor beroepsonderwijs zijn geen marktorganisaties. Zij moeten hun prikkel tot optimaliseren van hun prestaties vanuit het systeem krijgen. Nu het sectorale bedrijfsleven wat meer op afstand komt te staan door de oprichting van SBB die de taken van de 17 sectorale kenniscentra overneemt en ook de onderwijsinspectie op wat meer afstand komt te staan, is de vraag of de voorgestelde aanpak voldoende is. Het vraagt van de scholen voor beroepsonderwijs een grote openheid naar het oordeel van anderen. Tot nu toe is die openheid min of meer afgedwongen via het systeem van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. Welke middelen hebben anderen om een serieuze dialoog en afstemming in de regio te realiseren?

Tot slot. Diverse bouwstenen van de MBO Raad, Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO) en Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) komen overeen met elementen ui het pamflet Toekomstproof MBO dat Anne Wil Lucas )VVD’ vorig jaar november publiceerde. Zij ging nog een stap verder en koppelde een andere stelsel aan een andere manier van financiering. Niet meer de instelling financieren op basis van het aantal studenten, maar de studenten vouchers geven die ze kunnen inwisselen bij erkende onderwijsinstelling. Bovendien had Anne Wil Lucas meer oog voor LLL en de financiering daarvan. In combinatie leveren beide stukken voldoende voeding voor een stevige discussie. Het blijft boeiend binnen het beroepsonderwijs.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *