Beleidsreactie op rapport commissie Van der Touw en kleinschalig specialistisch beroepsonderwijs

Onlangs verscheen de beleidsreactie van de minister van OCW op het rapport van de commissie Van der Touw. Zitten hier aanknopingspunten voor het (kleinschalig) specialistisch beroepsonderwijs?

Studenten die afstuderen van een school voor beroepsonderwijs moeten op zijn minst een goede start kunnen maken op de arbeidsmarkt. Om dat te kunnen realiseren is het noodzaak dat het onderwijs op kwalitatief goed niveau is. Dat vraagt om een voortdurende oriëntatie op de kwaliteit. Beroepsonderwijs kan daarom niet stilstaan, moet bewegen en zich verbeteren en vernieuwen. Los van de kwaliteit van de docenten is de samenwerking met het bedrijfsleven een belangrijke factor. Deze lijkt vanzelfsprekend te zijn, omdat de opleiding in het beroepsonderwijs voor een heel groot deel plaatsvindt in bedrijven en instellingen, via de beroepspraktijkvorming. Dat betekent niet dat deze ook kwalitatief op orde is. Niet voor niets is er aandacht om de beroepspraktijkvorming en de plaats ervan in het onderwijsprogramma te verbeteren. Ook de ontwikkeling van de kwalificatiestructuur kan, naast alle andere doelen die er mee verbonden zijn, als een instrument worden gezien om de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven te optimaliseren. Je zou dit het generieke beleid van de samenwerking tussen beiden kunnen noemen.

Daarnaast is er ook een specifiek beleid. Via de Centra voor Innovatief Vakmanschap en Centres of Expertise. In deze centra werken onderwijs en bedrijfsleven samen om de instroom in het technisch beroepsonderwijs te vergroten en de kwaliteit en het het innovatief vermogen van het beroepsonderwijs te versterken. Deze publiek-private samenwerkingsverbanden zoeken aansluiting op de regionale kennisinfrastructuur door zich te richten op een van de topsectoren.

Op 17 juni 2013 presenteerde de commissie ‘Publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs’, voorgezeten door A. F. van der Touw (CEO Siemens Nederland N.V.) haar rapport. Belangrijkste vraag was: wat is nodig om publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs via de Centres of expertise en de Centra voor innovatief vakmanschap tot een succes te maken?

De commissie constateert de volgende succesfactoren voor goede samenwerking:

  • De top van het bedrijfsleven en de onderwijsinstellingen zien de centra als “need to have”, in plaats van “nice to have”.
  • De partners waren al bij elkaar betrokken voordat ze een businessplan opstelden voor de vorming van een centrum.
  • Inhoudelijke samenwerking is belangrijker dan het uitgebreid zoeken naar een samenwerkingsstructuur.

De commissie doet vier aanbevelingen om de knelpunten weg te nemen en om te zorgen voor meer duidelijkheid:

  1. Los de twee wettelijke knelpunten op: vestigingsplaatsbeginsel en btw;
  2. de (door)ontwikkeling van de leercyclus voor elk centrum;
  3. faciliteer centra door het creëren een “ontwikkelruimte” door/voor beleid, toezicht en praktijk;
  4. verbeter en ondersteun de samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijs.

Onlangs is de beleidsreactie van de minister van OCW op het advies van de commissie Van der Touw verschenen. Interessant is de reactie van minister op de derde aanbeveling: het bieden van extra ruimte aan onderwijsinstellingen voor de ontwikkeling van de centra en de uitbouw van de publiek private samenwerking. De minister realiseert zich dat als we een succes willen maken van deze centra, en andere nog te ontwikkelen publiek private initiatieven in het beroepsonderwijs, wij instellingen deze ruimte moeten bieden. Met name ben ik getriggerd door de toevoeging ‘en nog andere te ontwikkelen publiek private initiatieven’. Welke heeft de minister op het oog? Ik denk dan vooral aan het (kleinschalig) specialistisch beroepsonderwijs, waarin het aanleren van vakmanschap centraal staat. Dat zou mooi zijn en een erkenning dat juist dat type beroepsonderwijs niet past binnen het mainstream ‘regio gericht’ denken dat het onderwijsbeleid vaak kenmerkt. Juist vanwege het specifieke en landelijke karakter van het (kleinschalig) specialistisch beroepsonderwijs is een aangepaste arrangement met voldoende eigen ontwikkelruimte nodig om de publiek-private samenwerking van het (kleinschalig) specialistisch vakmanschap mogelijk te maken en voor Nederland te behouden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *