Hoe toekomstgericht is ons (beroeps)onderwijs?

Het is opvallend, maar binnen het tijdbestek van enkele weken produceren belangrijke adviesorganisaties van de rijksoverheid alarmerende rapporten. Het gaat om rapporten van de Onderwijsraad, de WRR en het CPB.

De Onderwijsraad gaat in de Stand van educatief Nederland in op de kwaliteit van het onderwijs. Die wordt als goed beoordeeld, maar het onderwijs is te weinig voorbereid op de toekomst. Er is te weinig visie op wat leerlingen moeten leren. En er is een grote aandacht voor meetbare doelen, in het bijzonder voor rekenen en taal. Hierdoor krijgen andere vormingsgebieden, zoals de beroepspraktijkvorming en het aanleren van vaardigheden, beleidsmatig te weinig belangstelling. Bovendien krijgen scholen onvoldoende ruimte om accenten te leggen in hun onderwijsaanbod of om te vernieuwen.

De WRR heeft een omvangrijk rapport gepubliceerd Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland.  In dit rapport analyseert de WRR de wijze waarop de economie via overheidsinterventies kan worden verstrekt. De aandacht richt zich primair op de instituties en de de sociale structuren die op langere termijn het verdienvermogen van Nederland bepalen. Uitgebreid wordt aandacht besteed aan het onderwijs, van basis tot en met hoger onderwijs. Volgens de WRR is het noodzakelijk dat er flink wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van het onderwijs. Voorts geeft deze raad aan dat voor alles het onderwijs echter een systematisch ontwikkelings- en innovatiesysteem behoeft, vergelijkbaar met dat van de gezondheidszorg.

Beide adviesorganisaties zijn niet somber over de huidige kwaliteit, maar maken zich zorgen over de toekomstige toegevoegde waarde van het onderwijs, aan de bijdrage van het onderwijs aan de economie en samenleving.

Ten derde is er het CPB-rapport Schaalgrootte, waarin schaalgrootte van semi-publieke instellingen, zoals scholen, beschouwd wordt in relatie tot marktordening en publieke belangen. Het planbureau vraagt zich af wat de optimale schaalgrootte is. Schaalvergroting kan leiden tot minder keuze en minder tegenkracht die prikkelt tot betere prestaties. Ook de grotere afstand tussen de bestuurders en de werkvloer kan een negatief effect hebben op de kwaliteit van de instelling.

 

In alle drie de rapporten wordt grote waarde toegekend aan de governance. Volgens de WRR moet de overheid niet meer willen voorschrijven wat er gedaan moet worden, maar er voor zorgen dat processen die relevante instituties moeten uitvoeren om tot prestaties te komen zo soepel mogelijk verlopen. Kennis moet via duurzame samenwerkingspartnerschappen echt circuleren. Beweging is nodig. Het gaat om “het bevorderen van goede netwerken, stimulerende reguleringen en ondersteunende instituties; en het formuleren van lange termijn strategieën waarop alle betrokken partijen zich kunnen oriënteren.” (pag 372). Het topsectorenbeleid is een stap, maar is onvoldoende doordacht in zijn keuze en govenance-structuur.

 

Buiten kijf staat dat het onderwijs in zijn volle breedte van hoogwaardig niveau moet zijn en daar is nog flink wat winst te behalen. “De richting is ook hier duidelijk, namelijk: investeren in goed opgeleide leraren, de effecten van vroege selectie mitigeren, en bovenal het onderwijs ombouwen van een industrieel naar een postindustrieel systeem. We hebben een onderwijs nodig dat veel sterker gebaseerd is op talentmanagement voor alle leerlingen en gericht op het bijbrengen van een groot aantal vaardigheden – niet slechts cognitieve vakken. Het in gang zetten van het nodige transformatieproces is niet alleen een kwestie van geld. Er is vooral ook inhoudelijke inspiratie en ondersteuning nodig. De echte opdracht is immers om er met de sector voor te zorgen dat investeringen in het onderwijs en het verbeteren van de prestaties hand in hand zullen gaan.” (WRR,pag.370)

En dan komen ook de aanbevelingen van de twee andere adviesorganisaties om de hoek kijken: Staar je niet blind op alleen rekenen en taal en denk goed na over schaalvergroting. Dat is niet alleen een taak van de overheid, maar ook van de bestuurders en toezichthouders van en medewerkers in het onderwijs. Voor de overheid ligt er de opdracht om te zorgen dat er een systematisch innovatie- en ontwikkelingssysteem komt. Voor het onderwijs de opdracht om dat adequaat en doordacht toe te passen in het onderwijs. Dat vraagt ook de nodige aanscherping van de governance-aanpak binnen instellingen, daar dient ook een slag te worden gemaakt. Het is zaak dat de checks & balances binnen onderwijsinstellingen duidelijker worden: tussen intern toezicht en bestuur en tussen bestuur en medewerkers. Een heldere dialoog vanuit duidelijke rollen en posities, waarbij partijen niet schromen elkaar in positieve zin tegenspreken. Veel instellingen zijn daar wel mee bezig, maar het kan nog verder geoptimaliseerd worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *