De Staat van het Onderwijs

In de Staat van het Onderwijs is het centrale thema: Gelijke kansen voor iedere leerling. De Inspectie van het onderwijs constateert dat dat niet het geval is. Uit de analysegegevens wordt duidelijk dat sociale achtergrond, opleidingsniveau van de ouders en migratieachtergrond, een duidelijke rol spelen. Wat is nieuw? Bij mij kwamen gelijk de compensatieprogramma’s uit de jaren 70 en 80 in mijn gedachten op. Die waren grosso modo waardevol, want iedereen werd er beter van, maar vanuit het doel de verschillen tussen leerlingengroepen weg te poetsen ontoereikend. Het grote verschil met toen is dat er nu een einde lijkt te komen aan de opmars van het verhogen van het algemene opleidingsniveau. Als land raken we achterop. We zakken weg in de internationale ranglijsten. De inspectie van het onderwijs concludeert dat we talenten kwijtraken en dat zouden we, als kennisintensieve samenleving, niet moeten willen. De oorzaak hiervoor ziet de inspectie bij het verschil tussen scholen. De vraag én de antwoorden op de vraag wat de ene school beter maakt dan de andere, zijn ook voor interne toezichthouders zeer waardevol. Het geeft handvatten voor een constructieve dialoog met bestuurders van onderwijsinstellingen.

Ik haal twee passages uit het rapport. In de eerste passage staan dikgedrukt criteria waarop de intern toezichthouder de bestuurder om een verantwoording kan vragen

Goede leraren zijn een belangrijke factor. Op scholen waar leerlingen beter presteren zijn de lessen beter en zijn er meer goede leraren. Ook zien we dat de teams er hechter zijn, en dat die samen met een goede schoolleider en goede bestuurder optrekken, vanuit een gedeelde visie en ambitie. En we zien die schoolbesturen de professionalisering van hun leraren aanmoedigen en ondersteunen. Deze leraren hebben ook goed zicht op de ontwikkeling van hun leerlingen. Ze brengen de verschillende meetbare en merkbare prestaties van leerlingen in kaart, analyseren wat nodig is en gebruiken deze gegevens in hun lessen. Ze meten om te leren verbeteren.

In de tweede passage noemt de inspectie de risicofactoren. Deze kan de intern toezichthouder ook aan de bestuurder voorleggen en hem vragen zich daarover onderbouwd uit te spreken.

En er zijn enkele tientallen scholen waar zoveel problemen samenkomen dat ze overbelast raken, zelfs na investeringen in schoolleiding en lerarenteam. Hier is het ziekteverzuim hoger, het verloop onder leraren groter en er staan vaak meer onbevoegden voor de klas.

Het rapport noemt in de analyse en oplossing veel suggesties die de dialoog tussen bestuurder en interne toezichthouder kunnen verrijken. Uiteindelijk is het belang dat scholen een echte kwaliteitscultuur te ontwikkelen, waardoor zij volgens hun eigen inzichten de onderwijskwaliteit op een hoger plan kunnen brengen. Het fundament daarvoor, zo schrijft de inspectie, is de combinatie van goede leraren, goede schoolleiders en goede bestuurders. Ik voeg daar aan toe: én een goede interne toezichthouder, die liefst vanuit een eigen toezichtkader scherp de resultaten van het bestuurlijk handelen beoordeelt.

Een punt waar de toezichthoudende rol verstrekt kan en moet worden is bij de samenwerkingsverbanden. Samenwerkingsverbanden hebben de afgelopen jaren een forse ontwikkeling doorgevoerd. Het intern toezicht is daarop onvoldoende aangehaakt. De onafhankelijkheid en de toerusting is vaak onvoldoende gegarandeerd. Een goed onderwerp door interne toezichthouders in het primair en voortgezet onderwijs om hierop met de bestuurder van hun onderwijsinstelling het debat aan te gaan.

1 thought on “De Staat van het Onderwijs

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *